all rights reserved © 2018
Het motet voor de Kardinaal

zaterdag 21 april 2018, aanvang 20.15 uur
Doopsgezinde Kerk, Frankestraat 24, Haarlem

Inleiding door Sarah Barrett, dirigent

Het lezen van “Het motet voor de Kardinaal” van Theun de Vries inspireerde mij tot een concertprogramma gedragen door het thema van dit prachtige boek. Het kiezen van de in ons programma voor te dragen teksten en het zoeken naar geschikt repertoire, niet alleen passend bij de verschillende aspecten van het verhaal, maar ook geschikt voor Haarlem Voices als ensemble, bleek een boeiende uitdaging.

Het boek speelt in het midden van de 15e eeuw, een tijd waarin West-Europa werd geregeerd door de huizen van Bourgondië, de Habsburgse dynastie en de Spaanse vorstenhuizen. Het verhaal begint tegen de achtergrond van oorlog en bloedvergieten, wat een passende opmaat is naar de eerste drie stukken van het concert. Guillaume Dufay’s Gloria ad modum tubae is een feestelijke oproep tot de strijd, waarin het door stemmen nagebootste trompetgeschal de begeleiding vormt voor de Gloria, die in canon wordt gezongen.
Ecclesiae militantis en Apostolo gloriosa zijn zeer bekend om hun complexe ‘isorithmische’ karakter, dat treffend de veranderingen en onrust van die tijd verbeeldt.

Wolf, de hoofdpersoon van het verhaal, maakt de lezer al vroeg in het boek deelgenoot van zijn innerlijke gedachten en emoties. Voor dit intieme facet heb ik gekozen voor een groep van Franse chansons, gecomponeerd door Antoine Busnois, Johannes Ockeghem en Loyset Compère. Deze chansons vormen pareltjes van muzikale miniatuurkunst, met poëtische teksten die de (verboden) liefde bezingen in al haar vreugde en verdriet, en daarnaast in profane teksten een beeld schetsen van het dagelijks leven, bijvoorbeeld op de boerderij, in de wijngaarden of in de herberg.

Veroveringstochten door geestelijke en wereldlijke heersers waren in die tijd aan de orde van de dag. Elke hertog had zijn eigen meesterzanger in dienst (de titel “componist” bestond nog niet), die niet alleen zong, maar ook liturgische en profane muziek componeerde. De mobiliteit onder musici was hoog. Zangers waren slechts een beperkte tijd aan een hof of kapel verbonden en bleven zolang hun composities werden geschreven of uitgevoerd. De motetten, (delen van) missen, lamentaties en chansons die op het programma staan zijn geschreven door meesterzangers die alle, hoewel afkomstig uit heel verschillende delen van Europa, op enig moment in de Sixtijnse Kapel in Rome gezongen hebben. Ook waren zij allen collega’s van Josquin des Prez.

Het derde facet in het programma betreft de invloed van de Katholieke kerk op de muziek. Hier krijgt de muziek van Josquin des Prez alle aandacht en vormt een levendige begeleiding bij de voorgedragen teksten uit het boek. In zijn motet La déploration sur la mort d’Ockeghem vermeldt Josquin de namen van alle kapelzangers die hun tranen de vrije loop lieten bij het verlies van hun geliefde collega Ockeghem.

De polyfone muziekstijl, ontstaan rond de 12e eeuw in de Nederlanden, ontwikkelde zich in de 15e eeuw verder tot een stijl die zich kenmerkt door meerstemmigheid, de plaatsing van vier of meer zelfstandige partijen op elkaar om daarmee harmonische en melodische diversiteit te creëren. Musici uit ‘de lage landen’ speelden een leidende rol in de ontwikkeling van deze nieuwe West-Europese polyfonie.

Het was deze ‘nieuwe muziek’ waarnaar Wolf in het verhaal op zoek ging:

“… vele stemmen, die ieder voor zich schenen te zingen, zij stegen en daalden langs onzichtbare ladders over en naar elkaar… dit was de nieuwe muziek waarop ik gejaagd had.”

_________________________________

Bron: De Vlaamse polyfonie, Ignace Bossuyt, 1994